Onderzoek van de Universiteit van Madrid

Madrid, 20 November 1998

Jose Alberto Rodriguez, professor van de dierengezondheidsafdeling van de Universiteit van Madrid deelt op 5 juni 1998 mee, dat hij een overeenkomst om een onderzoek, in artikel 11 van L.R.V., onderschreven door Jose Luis Arranz Gil als vertegenwoordiger van 'FALBALAMENDI,S.L en Da Pilar Segimon Escobedo als vertegenwoordiger van ''SELLUY, General Disstributor, S.L , getiteld " Het insecticide rapport van CatanDog t.a.v. Rhipiceohalus Sanguineus, start, om teken in een laboratorium te testen op honden en konijnen.

De geplande testperiode voor de honden was 3 maanden en de laboratorium testen voor konijnen 1 jaar.

Laboratorium onderzoeken zijn verricht volgens afgesproken richtlijnen.

Het resultaat van het eindrapport volgt hieronder.

SAMENVATTING

De beschermende werking van de Catandog’s plaatjes werden bestudeerd op het platteland van Castilla La Mancha, onder de voor honden normale omstandigheden, op aanwezigheid van teken en vlooien.

INLEIDING

Voor de bestudering van de gevoeligheid voor insecten wordt bij de huisdieren meetapparatuur aangebracht.

Deze stelt de onderzoekers in staat de vlooien te beoordelen naar hun vermogen zich volledig te ontwikkelen, de vereiste tijd hiervoor, het aantal parasieten en de daling van bevruchte vrouwtjes, het aantal eieren en hun gewicht.

Om de beschermende werking van Catandog verder vast te stellen heeft men gekozen voor een periode waarin vlooien en teken het actiefst zijn.

MATERIAAL EN METHODEN

De honden waarbij het onderzoek plaats vond bevonden zich in een groot hok van 12 bij 5 meter met een ingang en een uitgang naar een kleine boerderij van Castilla La Mancha.

Er werd hier sinds maart geen insectenbestrijdingsmiddel of bleekwater gebruikt ook de honden werden niet met welke chemische stof dan ook behandeld.

Het waren bastaard- en kettinghonden. Zij werden gevoed met Gallina Blanca Purina en water en gedurende 3-4 uur per dag losgelaten. De Catandog plaatjes werden verstrekt door Falbalamendi S.L. en Selluy S.L. (in Spanje).

Er werden 15 van de 25 honden voorzien van de plaatjes.

Op de eerste dag, 8 augustus, werden de vlooien en teken geteld en vervolgens het plaatje bevestigd.

De volgende tellingen vonden plaats op 28 september, 8 oktober en zaterdag 7 november.

Het aantal insecten werd per tel datum vastgesteld.

Vervolgens werd het gemiddelde per hond per dag berekend.

RESULTATEN

In grafiek 1 wordt het gemiddelde aantal ontdekte vlooien weergegeven die bij de honden zijn gevonden en de dagen waarop de tellingen plaatsvonden. Het soort vlooien dat het meest werd gevonden was de ook bij de mens voorkomende Pulex Irritans, die het hele jaar door actief is.

In tabel 1 werd vastgelegd bij welke honden de insecten huisden en hun gemeten aantallen.

Daar er geen belangrijke verschillen zijn op de eerste dag in de aantallen ontdekte vlooien tussen de honden met plaatje (2800) en zonder plaatje (2700) zijn de volgende verschillen opmerkelijk;

De gemiddelden tussen de honden zonder plaatje en met plaatje; op de 28e dag 2.1 tegen 0.47 en op de 61ste dag 1.9 tegen 0.33 tenslotte op de 91ste dag 6.8 tegen 4.2.

Grafiek 2 geeft de gemiddelden weer van het aantal ontdekte teken bij beide groepen (met en zonder plaatje) op de dagen waarop de tellingen werden verricht.

De gevonden teken behoorden tot de Rhipicephalus Sanguineus soort die overal op de wereld voorkomt en afhankelijk van het weer actief is van mei tot oktober.

In tabel 2 wordt statisch weergegeven welke groep honden op welke dagen met hun aantal insecten voorkomen.

Tengevolge van de belangrijke verschillen op de eerste dag tussen de groepen met plaatje en zonder plaatje t.a.v. teken (6.73 tegen 2.20) zijn er per dier meerdere tellingen verricht op verschillende data..

Uit vergelijking blijkt dat er een aanzienlijke vermindering is van vlooien tussen de eerste dag (6.73) en de 28ste dag (1.47) gemiddeld. NB: dit geldt voor de honden met plaatje, zonder plaatje waren er gemiddeld op de eerste dag 2.2, de 28ste 4.2 en 61e 2.00 teken.

COMMENTAAR

  Wanneer we de gegevens van grafiek in samenhang met het statistische uitgangspunt van Tabel 1 vergelijken, valt op dat het aantal insecten vermindert in de groep met plaatje t.o.v. de groep en wel op alle teldagen. Het aantal vlooien op de 91ste dag bij beide groepen kan worden toegeschreven aan het verstrekken van stro dat, zoals elke boer weet, vaak vol zit met vlooien.

Toch is het juist de 91ste dag waarbij de grootste vermindering van vlooien optrad bij de honden met plaatje.

Gaat men de data van de teken na in grafiek 2 dan blijkt een opvallende vermindering op de 28ste dag die je niet op de 61ste en 91ste dag vindt.

Bij de honden zonder plaatje valt de aanwezigheid opvan teken op de 28ste dag en de 61ste dag maar er is geen sprake van een daling in vergelijk met de 1ste dag of 91ste dag.

vlooien teken onderzoek